Nieuws

[ Nieuws ] Agenda ] Dier en Kruid ] Symposia ] Tijdschrift ] Vereniging ] Contact ] Zoeken ]  

Home
Persbericht
Berichten 2010
berichten 2009
Berichten 2008
Berichten 2007
Berichten 2006
Berichten 2005
Berichten 2004
Berichten 2003
Berichten 2002
Berichten 2001
Berichten 2000

 

 

Korte berichten april 2010

 

 

Hogeschool Saxion start opleiding Complementary Alternative Medicine

logo anhSaxion hogescholen in Deventer biedt als eerste reguliere hogeschool in Nederland een hbo-opleiding aan tot CAM (Complementary Alternative Medicine) therapeut. Dit is het resultaat van een jarenlange samenwerking met de oudste opleiding op dit gebied, de Academie voor Natuurgeneeskunde Hilversum (ANH), die per 1 januari 2010 heeft geresulteerd in een overdracht van het ANH onderwijs aan de particuliere poot van Saxion (SaxionNext). Tijdens de voorbereiding nam SaxionNext de kwaliteitsborging voor haar rekening en ANH de inhoud. Dit leidde tot een succesvol afgesloten visitatie door Hobeon in de zomer van 2009, op basis waarvan accreditatie is aangevraagd bij de NVAO (Nederlands-Vlaamse accreditatieorganisatie). SaxionNext functioneert vaker als kraamkamer voor nieuwe opleidingen (zij heeft onder meer hbo-opleidingen in archeologie en psychologie opgezet). De paramedische opleiding tot CAM-therapeut kent drie specialisatierichtingen: klassieke homeopathie, traditionele Chinese geneeskunde met acupunctuur, en traditionele Europese natuurgeneeskunde met fytotherapie en voeding. Zodra de aanvraag bij de NVAO is afgerond zal in Deventer de voltijdopleiding starten; de deeltijdopleiding blijft gevestigd in het centrum van het land. Therapeuten die in het verleden aan de ANH of elders zijn afgestudeerd kunnen door middel van een EVC procedure (Erkenning Verworven Competenties) door SaxionNext laten vaststellen welke aanvullende modules nodig zijn om een geaccrediteerd bachelor-diploma CAM-therapeut te verwerven.

Bron en aanvullende informatie: www.saxionnext.nl en www.avnh.nl.


 

Gezondheidsraad over (on)afhankelijkheid onderzoek

Onder de intrigerende titel “Wie betaalt, bepaalt?” publiceerde de Gezondheidsraad december 2009 een Signalement. Het verkent de invloed van (industriële) sponsoring op het ontwikkelen van medische kennis, en de ethische vragen die daardoor worden opgeroepen. Het gaat vooral om het stadium van agendering en prioritering (welke kennis moet worden ontwikkeld) en het stadium van de ontwikkeling van die kennis door onderzoek. Zorgelijk is dat inmiddels vaststaat dat onderzoeksresultaten sterk beïnvloed worden door de opdrachtgevende partij (vaak een farmaceutisch bedrijf), ook al zijn onafhankelijke instituten en/of wetenschappers ingeschakeld. Bij het groeiende aantal publiek-private samenwerkingsverbanden waarin de aardgasbaten worden geïnvesteerd en bij ethische kwesties rond het gebruik van placebo’s in klinisch onderzoek worden kritische vraagtekens gezet. Nu geneesmiddelonderzoek bij kinderen door de registratieautoriteiten wordt gestimuleerd, blijkt dat de industrie de marketingtechnisch interessante producten onderzoekt en niet de producten waaraan de kindergeneeskunde juist behoefte heeft.

Alle onderzochte kennisgebieden blijken de gevolgen te ondervinden van wat het crowding out effect wordt genoemd, het verschijnsel dat kennisgebieden waarop de verkoop van producten en het maken van winst niet of minder aan de orde zijn in ontwikkeling achterblijven in vergelijking met economisch valoriseerbare kennisgebieden, terwijl er maatschappelijk wel degelijk behoefte aan deze kennis bestaat. Als voorbeeld wordt onder meer genoemd het toegepast voedingsonderzoek op klinische eindpunten. Fabrikanten doen dit soort onderzoek weinig omdat het aantonen van een causale relatie tussen een voedingsmiddel of -ingrediënt en de gezondheid van de proefpersonen langdurig onderzoek vereist en de kosten van dergelijk onderzoek hoog zijn. Ook bij ZonMw maken trials naar de relatie tussen voedingsmiddelen of -ingrediënten en gezondheid/ziekte weinig kans. Te denken valt bijvoorbeeld aan onderzoek naar de relatie tussen bestanddelen van voedingsmiddelen en gezondheid (lycopeen uit tomaat tegen prostaatkanker, flavonoïden uit thee tegen hart- en vaatziekten, de rol van koolhydraten bij het ontstaan van diabetes). De markt biedt geen mechanisme om de onderzoeks- en ontwikkelingskosten terug te verdienen want deze producten zijn niet patenteerbaar. Thema’s die van groot belang zijn voor de volksgezondheid blijven daardoor liggen.

Bron: Publicatie 2009/18 op www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/200918.pdf.


 

Cursus fytotherapie voor dierenartsen


De Stichting Educatie Holistische Diergeneeskunde (STEHD) biedt deze zomer een introductiecursus fytotherapie aan die alleen toegankelijk is voor dierenartsen en paraveterinaire dierfysiotherapeuten. De cursus wordt verzorgd door het Instituut voor Etnobotanie en Zoöfarmacognosie samen met verschillende NVF-leden (drie dierenartsen, farmacognost en apotheker). De STEHD wil binnen de opleiding tot holistisch dierenarts de opleiding fytotherapie op het niveau van de European Herbal & Traditional Medicine Practitioners Association brengen; daartoe is deze introductiecursus een eerste –duidelijk omschreven– stap. Cursusdagen zijn 4, 5, 25 en 26 juni en 10 en 11 september.

Bron en nadere informatie: website www.stehd.nl.


 

Ginkgo voorkomt de cognitieve achteruitgang bij ouderen niet

Ginkgo (Ginkgo biloba) wordt vaak aangeprezen voor het in stand houden of verbeteren van de geheugenfunctie. In een recent gepubliceerde gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studie bij 3069 ouderen (72-96 jaar oud; gemiddeld 79,1 jaar) werd het effect van langdurig gebruik van een gestandaardiseerd Ginkgo-extract (EGb 761, 120 mg, tweemaal daags) op het geheugen onderzocht. Deelnemers aan dit onderzoek werden gedurende ruim zes jaar gevolgd (2002-2008) waarbij de geheugenfunctie ieder half jaar werd gemeten met behulp van meerdere gevalideerde testen voor het cognitieve functioneren. Geen significante verschillen werden gevonden tussen de met ginkgo behandelde groep en de placebogroep wat betreft de jaarlijkse achteruitgang in geheugenfunctie. De uitkomst van dit onderzoek is in overeenstemming met de resultaten van eerdere klinische studies van beperktere omvang en toont nogmaals aan dat ginkgo geen effect heeft op het geheugen bij gezonde ouderen.

Bron: Snitz BE, et al. Ginkgo biloba for preventing cognitive decline in older adults. JAMA 2009;302(24):2663-70.


 

Groene thee verlaagt de kans op depressie

Aan groene thee worden al veel gezondheidseffecten toegeschreven maar nieuw onderzoek lijkt weer een gunstige eigenschap aan dit rijtje te gaan toevoegen. In een epidemiologisch onderzoek onder nog zelfstandig wonende oudere Japanners is namelijk een verband gevonden tussen de consumptie van groene thee en de incidentie van depressieve klachten. De consumptie van groene thee werd in dit onderzoek onder 1058 personen van 70 jaar en ouder gekwantificeerd aan de hand van een vragenlijst over het voedingspatroon. Het voorkomen van depressieve klachten werd vastgesteld met behulp van een gevalideerde vragenlijst (Geriatric Depression Scale). Ouderen werden verdeeld in drie groepen, mensen die minder dan één kop groene thee per dag dronken, mensen die 2-3 kopjes per dag dronken en mensen die meer dan vier kopjes dronken. Ten opzichte van de mensen die weinig groene thee dronken, bleken de mensen met een hoge groene thee consumptie minder milde tot ernstige depressieve klachten te rapporteren (odds ratio 0,96 (95% betrouwbaarheidsinterval (BI): 0,66-1,42)) en 0,56 (95% BI: 0,39-0,81) voor respectievelijk 2-3 kopjes en ≥ 4 kopjes groene thee per dag (P(trend) = 0,001)). Door de onderzoekers wordt gesuggereerd dat de antidepressieve werking te maken heeft met een effect van groene thee op de stress-respons en mogelijk ook met een ontstekingsremmende activiteit. Nader onderzoek moet het werkingsmechanisme echter verder ophelderen.

Bron: Niu K, et al. Green tea consumption is associated with depressive symptoms in the elderly. Am J Clin Nutr 2009;90:1615-22.


 

Een verbinding uit olijfolie in de strijd tegen de ziekte van Alzheimer

Meer nog dan de onoplosbare amyloïdfibrillen die plaques vormen in de hersenen van patiënten met de ziekte van Alzheimer wordt er tegenwoordig van uitgegaan dat oplosbare oligomeren van het amyloïd-β(1-42) eiwit als primair neurotoxine bijdragen aan het ontstaan van deze ziekte. Stoffen die de vorming van deze oligomeren tegengaan zouden dan ook kunnen worden ingezet als geneesmiddel ter voorkoming van de ziekte van Alzheimer. Voor oleocanthal –een fenolische verbinding uit olijfolie– is nu aangetoond dat het de vorming van amyloïd-β(1-42) oligomeren beïnvloedt en de binding van deze oligomeren aan de uiteinden van zenuwen (de synapsen) vermindert. Deze werking van oleocanthal resulteert ook in een verminderde beschadiging van de synapsen en beschermt de signaaloverdracht tussen zenuwcellen.

Bron: Pitt J, et al. Alzheimer’s-associated Aβ oligomers show altered structure, immunoreactivity and synaptotoxicity with low doses of oleocanthal. Toxicol Appl Pharmacol 2009;240:189-97.


 

Mariadistel vermindert chemotherapie-geïnduceerde leverontstekingen

Hoewel het bewijs uit (pre)klinisch onderzoek nog beperkt is, wordt mariadistel (Silybum marianum) toegepast vanwege de leverbeschermende werking. De resultaten van een gecontroleerde, dubbelblinde klinische studie bij kinderen met acute lymfatische leukemie (ALL) geven een verdere onderbouwing voor de werkzaamheid van mariadistel. Kinderen met ALL die ten gevolge van de chemotherapie leverschade hadden opgelopen, werden gedurende vier weken met mariadistel behandeld of ontvingen een placebo. Direct aan het eind van de behandelperiode bleken de serumwaarden van de leverenzymen alanine-aminotransferase (ALT) en aspartaat-aminotransferase (AST) en het totale bilirubinegehalte niet te verschillen tussen beide behandelgroepen. Vier weken na stopzetting van de behandeling waren de ALT-concentraties in het bloed van de met mariadistel behandelde kinderen wel significant lager (P = 0,05) dan in de placebo-behandelde kinderen. De AST-waarden waren eveneens lager maar verschilden niet significant ten opzichte van de placebo-groep (P = 0,07). De dosering van de chemotherapeutica moest (ten gevolge van de bijwerkingen) tijdens de studie bij 61% van de met mariadistel behandelde kinderen worden verlaagd terwijl dit percentage op 72% lag in de placebo-groep. Laboratoriumonderzoek toonde aan dat maradistel geen negatief effect had op de chemotherapeutica en zelfs een bescheiden synergistische werking vertoonde met vincristine.

Bron: Ladas EJ, et al. A randomized, controlled, double-blind, pilot study of milk thistle for the treatment of hepatotoxicity in childhood acute lymphoblastic leukemia (ALL). Cancer 2010;116(2):506-13.

 

 

 

 

Externe links worden in een nieuw venster geopend.

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen  
                    over deze website verzenden aan webmaster@fyto.nl.
                    Copyright © 2010 NVF   Laatst bijgewerkt: 28-04-2010