Het SIA-RAAK project Innovatieve Ketens voor Voeding
en Gezondheid (IKVG) van de Christelijke Agrarische Hogeschool Dronten (CAH) richt zich op teeltmethodes en standaardisatie van medicinale planten. Het wil
daarbij de hele keten betrekken, vanaf de etnobotanische oorsprong tot en met de
consumentenverpakking.
De afsluitende conferentie van dit project zal op 22
november 2011. plaatsvinden op de CAH in Dronten. In een gezamenlijke bijeenkomst
van CAH, NVF en andere partijen zullen sprekers uit diverse Europese landen de
perspectieven schetsen van de teelt van geneesplanten, en gezamenlijk de
mogelijke kwaliteit- en werkzaamheidgaranties bespreken. Het is de bedoeling dat
deze werkconferentie tevens de aftrap vormt voor vervolgactiviteiten met alle
geïnteresseerde partijen in de kwaliteitsborging ‘van land tot consument’ voor
medicinale planten.
Hebt u zich ook wel eens afgevraagd waarom de NVF geen
werkgroep Westerse fytotherapie kent terwijl er wel veel leden in dat veld
actief zijn en het onderwerp binnen de NVF meer aandacht zou verdienen? De NVF
is toch de wetenschappelijke vereniging die onder meer tot doel heeft
wetenschappelijk onderzoek naar de aard, werkzaamheid en veilig gebruik van
fytotherapeutica te bevorderen. Veel leden zetten zich op vrijwillige basis in
om fytotherapie meer bekendheid te geven. Denk daarbij aan de werkgroep Oost-West, de studiegroep Dier & Kruid, het tijdschrift NTvF en de periodieke
bijeenkomsten. Het bestuur wil daar graag een onderzoekswerkgroep Westerse
Fytotherapie aan toevoegen en roept leden op zich daar voor op te geven. Het
bestuur realiseert zich heel goed dat iedereen het al heel druk heeft en dat
zo’n werkgroep ook echt een toegevoegde waarde moet hebben. Wij denken dat het
doel van de werkgroep zou moeten liggen in kennisoverdracht en
informatie-uitwisseling over (lopend) onderzoek naar westerse fytotherapie,
primair tussen de leden van de werkgroep met mogelijkheden tot verbreding. Wij
horen ook graag van de leden zelf wat voor hen een reden zou kunnen zijn om lid
te worden van deze werkgroep. Wij stellen ons voor te beginnen met het in kaart
brengen van lopend onderzoek en daarover informatie uitwisselen. Dat hoeft niet
altijd op een bijeenkomst, maar kan daarnaast ook digitaal. Dr. Willem Kramers
en dr. Marij Schüsler zijn bereid de kar te trekken. Belangstellenden kunnen
zich bij Marij opgeven: marijschusler@soffos.nl
LAATSTE NIEUWS
Knoflookproduct gaf weinig vermindering van wormen bij kippen
Onderzoekers van de Faculteit
Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht hebben samen met de
Gezondheidsdienst voor Dieren te Deventer (GD) een onderzoek verricht naar een
toepassing van een knoflookproduct (Allium sativum) om wormen bij kippen
te bestrijden. Het is een bekend huismiddel voor boeren in verschillende
Europese landen, maar was tot nu toe nog niet hierop onderzocht. De onderzoekers
testten het effect van een commercieel verkrijgbaar product met een hoog gehalte
aan allicin in een dierproef waarbij 450 Lohman-LSL-Classic jonge hanen werden
gebruikt. Er bleven 50 dieren onbehandeld (groep 1) en ongeïnfecteerd, de
overige dieren werden op de leeftijd van 6 weken geïnoculeerd met 300 eieren van
Ascaridia galli per dier. Daarvan kregen 100 dieren geen behandeling
(groep 2, controle), 100 dieren kregen in week 13 en 14 de aanbevolen dosis van
een allicin-oplossing, overeenkomend met 1,5 ml/liter drinkwater (groep 3) en
100 dieren het 10-voudige hiervan (groep 4). De laatste 100 dieren (groep 5)
werden in week 13 behandeld met flubendazol (10 mg/kg lichaamsgewicht) en in
week 14 met water. Wekelijks werden vanaf week 13 t/m 16 van elke groep 20
dieren gedood en bekeken op aanwezigheid van wormen. In groep 1 en in groep 5
(vanaf week 14) werd niets gevonden terwijl alle andere groepen wormen werden
aangetroffen. Het aantal wormen in de onbehandelde groep (groep 2) verschilde
niet significant van de aantallen in groep 3 en 4. Het gevonden aantal wormen
(met standaarddeviatie) staat vermeld in onderstaande tabel.
Week
Groep 2
(onbehandeld)
Groep 3
(1,5 ml/l allicin)
Groep 4
(15 ml/l allicin)
Groep 5
(flubendazol)
13
13,8 (12,0)
12,9 (10,1)
15,0 (11,2)
22,5 (14,8)
14
12,8 (9,9)
11,4 (12,6)
13,5 (11,0)
0
15
12,9 (9,2)
8,1 (6,7)*
8,9 (6,6)**
0
16
11,9 (10,8)
12,3 (11,8)
10,8 (9,2)
0
Op geen enkele moment was het
aantal wormen in groep 2, 3 of 4 significant verschillend (p < 0,05) maar
trendmatig leek in week 15 de wormlast iets lager te zijn in de allicin-groepen
(* p=0,11; **p=0,07). De onderzoekers concluderen dat dit allicinproduct geen
alternatief biedt voor flubendazol in de wormbestrijding.
Het aantal tijdens het
experiment overleden dieren was 13, meestal als gevolg van kannibalisme, en dit
had geen relatie met de worminfectie of de behandelingen.
Bron: Velkers FC, Dieho
K, Pecher FWM, Vernooij JCM, Van Eck JJH, Landman WJM.
Efficacy of allicin from garlic against Ascaridia galli infection in
chickens. Poultry Sci 2011(90):364-8; doi:
10.3382/ps.2010-01090.
Meloenpulp voor
darmgezondheid van gespeende big
Franse onderzoekers testten een meloenpulp concentraat (MPC,
afkomstig van Cucumis melo LC. [= Promutase 200]) dat rijk is aan
superoxide dismutase (SOD) in een varkensmodel op de mogelijke invloed op de
vorming van stresseiwitten in het maagdarmkanaal. Uit zes worpen werden 36
biggen van 21 dagen oud geselecteerd en over drie proefgroepen verdeeld. Na twee
dagen vasten, kregen deze biggen gelijke hoeveelheden controlevoer, MPC1-voer en
MPC2-voer toegediend dat respectievelijk 0, 12,5 en 50 IE per kg aan SOD bevatte
(overeenkomend met respectievelijk 0 gram, 1 gram en 4 gram MPC per kg). Een
derde van de biggen werd op dag 7, en een tweede groep op dag 14 na spenen
geslacht. Enzymmetingen (SOD, catalase en spijsverteringsenzymen) werden
uitgevoerd en de stresseiwitproductie werd door middel van de western blot
test bepaald.
MPC gaf op dag 14 een significante dosis-afhankelijke SOD
toename in het plasma (p < 0,05). Het slijmvliesgewicht in de dunne darm was op
dat moment lager en het gewicht van het cecum was hoger. Ook was de
sucrase-activiteit in de slijmvliezen van het onderste deel van de van de dunne
darm lager in de MPC2-voergroep. Ten slotte waren er eveneens significant minder
stresseiwitten aanwezig in de maag (alle typen), het middelste deel van de dunne
darm (hsp-27 en neuronaal stikstofoxide synthase, nNOS) en in het colon (hsp-70
en nNOS).
Bron:
Lalles JP, Lacan D, David JC. A melon pulp concentrate rich in superoxide
dismutase reduces stress proteins along the gastrointestinal tract of pigs.
Nutrition 2011;27(3):358-63.
Fytotherapie voor varkens met Ascaris suum: geen aanvullende resultaten
Eerder werd in dit tijdschrift bericht over de inzet van
een mengsel van zonnehoed, tijm en citroenmelisse (5% door het voer) dat
veelbelovend werkzaam leek tegen spoelwormen bij varkens. Bij een herhaling met
1% van deze kruiden in het voer was er geen effect zichtbaar. Het ging hierbij
echter om twee niet geheel vergelijkbare praktijkproeven. Met de inzet van
hetzelfde mengsel in een gevalideerd diermodel van Wageningen Universiteit (WUR)
hoopte de vakgroep Livestock Research (Van Krimpen et al.) meer
duidelijkheid te scheppen. Er werd nu 3% van dit mengsel in het voer gedaan en
daarnaast werd een 4% variant getest, waarbij zwarte thee (1%) was toegevoegd.
Het eerste recept leek in dit model van 4 x 8 biggen wat betreft het aantal
aangetroffen wormen een tussenpositie in te nemen tussen de met flubendazol
behandelde en de onbehandelde dieren (van geen van beiden significant
verschillend). Het laatste recept had geen effect op de wormen, er werden
evenveel wormen gevonden in deze groep als in de onbehandelde controle.
In een tweede studie met hetzelfde diermodel werden 1%
papajavrucht, boldoblad en bijvoetplant getest in vergelijking met alleen een
onbehandelde controle. Door geen van deze voederaanvullingen bleek de wormlast
significant verminderd te worden. Hierbij dient aangetekend te worden dat dit
model slechts 8 biggen per behandelgroep heeft zodat het wel goed in staat is om
significante resultaten te geven bij middelen die (vrijwel) alle wormen afdoden,
maar geen significant resultaat oplevert bij middelen die ongeveer half zo sterk
werkzaam zijn (onbehandeld: 21 ± 40; papajavrucht: 13 ± 20; boldoblad: 4 ± 5;
bijvoet: 58 ± 76 wormen per dier).
Als
reactie op deze studies schreef Lans, één van de door Van Krimpen geciteerde
auteurs, dat er zorgvuldiger omgegaan moet worden met de etnoveterinaire data
die zij en anderen hebben gepubliceerd. De keuze om een succesvol experiment
(het eerste, met het 5% mengsel) te herhalen met lagere kruidenconcentraties
wordt door haar bekritiseerd. Ook het gebruik van de papajavrucht in plaats van
de etnoveterinair gedocumenteerde papaja-latex en van Artemisia vulgaris
(bijvoet) in plaats van het gedocumenteerde A. sieberi met daarnaast nog
het niet met literatuur onderbouwde boldoblad, samen met het arbitrair kiezen
voor een dosering, zijn zeer aanvechtbare keuzes van de Wageningse onderzoekers
volgens Lans. Dit alles heeft geleid tot verspilling van het slechts mondjesmaat
voor dit thema beschikbare onderzoeksgeld.
Bronnen: Van Krimpen
MM, Binnendijk GP, Borgsteede FH, Gaasenbeek CP. Anthelmintic
effects of phytogenic feed additives in Ascaris suum inoculated pigs. Vet
Parasitol 2010;168:269-77. Lans C. Validation of ethnoveterinary medicinal
treatments - letter to the editor. Vet Parasitol 2011;178:389-90.
Cranberrystudie naar de preventie van cystitis afgerond
Wanneer een blaasontsteking
minstens drie keer per jaar terugkomt, kan een lage dosis antibioticum
voorgeschreven worden om nieuwe klachten te voorkomen. Dit heeft als nadeel dat
de bacteriën resistent kunnen raken. Kunnen cranberries (veenbessen) de lage
dosis antibiotica vervangen? Dat onderzochten Geerlings en Beerepoot in de
NAPRUTI-studie van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in samenwerking met het
Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM). NAPRUTI staat voor Non-antibiotic
versus Antibiotic Prophylaxis for Recurrent Urinary Tract Infections en deze
studie is in 2006 (jaargang 19, nummer 1, pagina 7-9) in dit tijdschrift
uitgebreid toegelicht.
Er deden twee groepen vrouwen
mee aan het onderzoek. De ene groep van 110 vrouwen kreeg het antibioticum
co-trimoxazol, de andere groep van 111 vrouwen slikte twee keer per dag één
cranberrycapsule. Uit de studie bleek dat de vrouwen die cranberrycapsules
slikten geen last hadden van resistente darmbacteriën. Maar van de vrouwen die
co-trimoxazol slikten, werd negentig procent al na één maand resistent. Niet
alleen tegen co-trimoxazol maar ook tegen andere antibiotica. Deze resistentie
hield na het staken van het antibioticum nog zeker drie maanden aan. Helaas
bleken de cranberrycapsules veel minder werkzaam tegen blaasontstekingen dan
co-trimoxazol. In de cranberrygroep duurde het gemiddeld vier maanden voordat de
ontsteking weer doorbrak, in de co-trimoxazolgroep was dat acht maanden. De
vrouwen in de cranberrygroep kregen gemiddeld vier blaasontstekingen, tegen
zeven in het jaar ervoor. Dat is zeker een afname, maar de reductie is lang niet
zo sterk als die van de vrouwen met antibiotica. Zij kregen gemiddeld 1,8
blaasontstekingen, tegen zes het jaar ervoor. Er waren dan ook relatief veel
uitvallers in de cranberrygroep. De optimale dosis cranberries moet nog
onderzocht worden, maar er is een Franse studie die 36 mg werkzame stof noemt.
De onderzoekers wilden daar in ieder geval ruim boven zitten, met het liefst
minstens 100 mg werkzame stof per dag. Helaas bleek dat er capsules waren
geleverd met minder dan 36 mg. Het duurde bijna drie jaar om genoeg data te
verzamelen. Het was moeilijk om vrouwen te laten deelnemen aan het onderzoek,
ook al werkten tien centra mee om voldoende patiënten te krijgen. Concluderend
stellen de onderzoekers dat de cranberrycapsules in ieder geval een aanvulling
op medicijnen kunnen zijn en voor vrouwen die geen antibiotica willen slikken
een goed alternatief.
Bron: Persbericht AMC
26.07.2011: Besjes voor de blaas. Beerepoot MAJ, Ter Riet G, Nys S, Van der Wal
WM, de Borgie ACJM, De Reijke TM, Prins JM, Koeijers J, Verbon A, Stobberingh E,
Geerlings SE.Cranberries vs antibiotics to prevent
urinary tract infections; a randomized double-blind noninferiority trial in
premenopausal women. Arch
Intern Med 2011;171(14):1270-8.
Enquête Nederlandse medische studenten over complementaire geneeswijzen
Enkele onderzoekers van de
Radboud universiteit en private instellingen onderzochten kennis van en houding
ten opzichte van complementaire geneeswijzen (Complementary and Alternative
Medicine [CAM]) onder medische studenten. Hiertoe werden 10.532
student-leden van de artsenfederatie KNMG benaderd per e-mail (in totaal waren
er in het jaar van de studie 2007-2008 in Nederland 18.563 medische studenten).
Met name werd gevraagd naar hun mening omtrent de plaats van CAM in het medisch
curriculum.
Er werden circa 2000
vragenlijsten ingevuld, gelijkmatig over alle instellingen verdeeld. De
gemiddelde leeftijd van de respondenten was 22 (± 3) jaar. 72,4% was vrouw.
13,4% van de studenten had zelf in de afgelopen drie jaar persoonlijke ervaring
opgedaan met een CAM-therapie en 45,7% gebruikte zelf af en toe zelfzorgmiddelen
uit het CAM-domein. De bekendheid met acupunctuur en homeopathie was het grootst
(meer dan 90%) en fytotherapie kwam met ongeveer 50% op de derde plaats. 54,1%
van de respondenten gaf aan zelf af en toe informatie te zoeken over CAM, over
het algemeen in de wetenschappelijke literatuur. Circa driekwart van de
respondenten vindt het belangrijk dat CAM in het medisch curriculum een plaats
heeft en dat artsen hier kennis van dienen te hebben, een derde vindt dat het
bij de verplichte vakken thuishoort. Artsen zouden hun patiënten objectief
moeten kunnen informeren over CAM, antwoordde 83% en 70% pleitte voor meer
onderzoek naar veiligheid en effectiviteit van CAM. De onderzoekers merken op
dat er meerdere redenen zijn om voorlichting over CAM een plaats te geven in het
medisch curriculum.
Bron:
Kolkman E, Visser A, Vink AM, Dekkers W. CAM-education in the medical
curriculum: Attitude towards and knowledge of CAM among Dutch medical students.
Eur J Integrative Med 2011;3(1):17-22.
Aantal geregistreerde kruidenmiddelen in de Europese Unie stijgt
De European Medicines Agency (EMA) gaat regelmatig
rapporten publiceren over de registratie van traditionele kruidenmiddelen in
landen van de Europese Unie. Zowel de aanvragen voor registratie als de
bestaande registraties werden per land verzameld, met informatie over de datum
van registratie, het werkzame bestanddeel en waar het middel voor wordt
gebruikt. Uit de gegevens blijkt dat er in 2009 en vooral 2010 een enorme
toename te zien is in het aantal registraties; van één registratie in 2005 naar
95 (in 2009) en 202 (in 2010). De verwachting is dat het volgende rapport dat
dit najaar wordt verwacht, een nog verdere stijging zal laten zien aangezien
daar ook de registraties op basis van well-established use in verwerkt
zullen worden. Bovendien zal het volgende rapport ook de registraties van de
eerste helft van 2011 laten zien en dus de laatste registraties van de
overgangsperiode die eindigde op 30 april jl.
Het rapport geeft inzicht in de landen waar de
fytotherapeutica geregistreerd worden. Duitsland loopt – niet helemaal
onverwacht – op kop met 384 registratie-aanvragen maar verrassende tweede is
Polen met ruim 200 aanvragen. Nederland staat op een treurige tiende plaats met
slechts 27 aanvragen waarvan er ten tijde van het rapport 11 goedgekeurd waren.
Verder is het verschil tussen de registratie van enkelvoudige (mono)preparaten
en middelen met een gecombineerde samenstelling (complexen) in de diverse landen
opvallend. Engeland en Polen registreren vooral enkelvoudige middelen en in
Nederland en Spanje bestaan zelfs alle registraties uit monopreparaten (dit komt
ook doordat het well-established use complexpreparaat met Iberis amara
niet meetelt en ook de oude registraties met senna en carminativa en/of vlozaad
niet). In Duitsland en Oostenrijk daarentegen is de verdeling ongeveer gelijk en
in landen als Slovenië, Estland en Zweden worden (zo goed als) alleen maar
complexe preparaten geregistreerd. De meeste van deze combinaties bestaan uit
twee tot drie kruiden en middelen met meer dan 10 kruiden komen zelden voor. In
totaal zijn nu 85 plantensoorten betrokken bij de registraties; in de Tabel zijn
de kruiden met de meeste registraties opgenomen.
Registraties als Traditioneel Kruidengeneesmiddel (TK)
in de Europese Unie op 31 december 2010 voor enkelvoudige kruidenmiddelen
(minimaal vier registraties).